Go, Aboutaleb, go!

"Zijn heldenstatus verankerde Aboutaleb definitief toe hij kort geleden eigenhandig – na een wilde achtervolging nota bene - een winkeldief bij de lurven greep en hem tegen de grond Chuck Norriste.'

Lees artikel

Een brief aan Mark Rutte, van een ondernemer

Een open brief aan Mark Rutte. "Mark, we moeten praten. Koffie?"

Lees artikel

Verlossing

“Nu moet u niet ineens meer verstand gaan hebben van computers dan wij, hoor. Bovendien, u woont op het verkeerde adres. Ja, u woont een paar meter te ver weg. Drie meter, om precies te zijn."

Lees artikel

Faaljagerij

"Paarden kan je kennelijk aan een fietsenstalling binden. Ik ging, nog immer in de waxcoat van dat meisje gevouwen, mee naar binnen. Paard aan het fietsenrek."

Lees artikel

Galopperen in een Ford Mustang

"De Ford Mustang is uiteindelijk vooral een uiterst curieus versierde peniskoker (nooit vragen naar de inhoud). Of in elk geval vind ik dat van het model dat ik een dikke week lang mocht testen."

Lees artikel

Wat Opa zegt is waar…

"Opa werd makkelijk 160. En wat Opa zegt is waar."

Lees artikel

Stil

"De vitrines laten koffers zien, potten, brillen, scheerkwasten, bidtapijten, zelfs kunstbenen en de vreselijke verzameling haar. En kinderschoentjes. Kinderschoentjes." - Een bezoek aan Auschwitz

Lees artikel

Artikel

Faaljagerij

Een uur moet ik daar al gelegen hebben, op mijn rug, in het zand. Misschien wel langer. Bewegen kon ik niet meer. Geluid kwam er niet meer uit. Eigenlijk dacht ik dat ik ten prooi zou vallen aan een van hun jachthonden. Maar die waren te lui om me te halen. Of te dom om me te vinden. Ik vloog niet snel genoeg weg, kennelijk. Dat deed ik altijd wel. Ik keek wel mooi uit bij die jagers, de griezels. Hoewel, slordige jagers laten wel eens een makkelijke prooi voor me achter. Ik blijf een opportunist, natuurlijk. Maar ik heb geen enkel respect voor ze. Niemand van ons. Lafhartig vinden we dat, zo’n ongelijke strijd. En dan ook nog met hagel schieten. Dan raken ze tenminste iets. Talentloze schutters zijn het ook nog.

Geen idee wat er dit keer mis ging. Ze waren er opeens, vanuit het niets. Plotseling voelde ik een helse pijn in mijn borst. En zag ik de aarde op me af komen. Het ging zo snel allemaal. En daar lag ik dan. Als een vloedkleed.

Een aanzwellend gedreun, dat hoefgekletter bleek te zijn, wekte me een beetje. Logisch eigenlijk, hier renden wel vaker paarden. Kwestie van tijd. Ik zag een enorm zwart paard met woeste manen een beetje ongemakkelijk naast me staan en een meisje dat zich over me heen boog. Ze keek bedroefd en verontwaardigd, geloof ik. Ik had het al opgegeven. Ik dacht; erger kan het niet worden, ik geef me wel over. Voor ik het wist zat ik stevig in de waxcoat gevouwen, tegen een te warm lijf aan (dan kan het wel winter wezen, maar te warm is te warm). En dat op een paard, nota bene. Hij was een beetje lomp, dat paard. Wel mooi op zich – voor zover paarden mooi zijn, maar nogal onbehouwen. Nog erg jong, denk ik. Ik hoopte trouwens dat ik niet gezien werd. Wat een afgang.

Paarden kan je kennelijk aan een fietsenstalling binden. Dat had ik nooit eerder gezien. Ondanks mijn zorgelijke situatie vond ik dat vermakelijk. Ik ging, nog immer in de waxcoat van dat meisje gevouwen, mee naar binnen. Paard aan het fietsenrek.

Dat felle licht kan ik me nog goed herinneren. En de vrouw in een witte jas die allemaal kleine stukjes metaal uit mijn borst plukte ook. Waren er best veel nog. Enfin, ik werd opgelapt. Al kreeg ik niet de indruk dat ze mijn herstel erg kansrijk achtte. Ben ik achteraf blij dat dat meisje weigerde zich daarbij neer te leggen, zeg. Heel eerlijk; ik kon ook zelf niets meer. Mijn vleugels waren niet gebroken, maar de boel had wel een flinke optater gekregen. Dat hele ademhalen was al een opgave op zich. En ik kon bijna niet bewegen. Die hechtingen zaten me ook in de weg. Maar ik moest en zou mee naar Rotterdam, ze stond erop.

Ik kreeg een geïmproviseerd binnen- en buitenverblijf. Waar ik, als ik wilde, mijn vleugels kon strekken. Wilde ik wel. Kon ik niet. En ik protesteerde bij het leven. Daar heb ik achteraf wel een beetje spijt van. Ze voerde me met een pipetje. Dat is echt iets voor konijnen, hoor. Pipetjes. Vloeibare maaltijden. Het idee, zeg. Alles wat ik lekker vind zat erin, dat wel. Maar heel stoer vond ik mezelf niet.

Langzaamaan werd ik sterker. Ik ging weer een beetje wandelen. Beetje gers doen tegen iedereen. Wapperde voorzichtig met de gekneusde vleugels en schreeuwde wat. Steeds harder ook. Vooral om de voorbij vliegende vogels te imponeren. Maar nog lang niet op vol volume.

Na verloop van tijd kreeg vast voedsel. In een bakje. Lekker, man. Nou ja, voor een herstellende roofvogel dan. Het had nog steeds een te hoog huisdierengehalte. En huisdieren zijn watjes. Jagen deed ik al dagen niet meer en dat gaat toch een beetje knagen – voor zover dat kan bij buizerds. Maar voor nu voldeed dit prima. Trouwens, ik kon al bijna weer vliegen. Daar was voldoende ruimte voor, maar ik durfde nog niet helemaal. Ik geef het niet graag toe, maar ik was een beetje onzeker nog. Erg stevig op de poten stond ik nog niet. Bovendien; dat hakt erin hoor, neergeschoten worden en dan ongevraagd revalideren in Rotterdam. Rotterdam, of all places.

Die onzekerheid verdween als sneeuw voor de zon (eigenlijk wil ik liever een andere uitdrukking gebruiken, het doet mij denken aan sneeuwuilen en aan sneeuwuilen heb ik een hekel, maar dit terzijde) toen ik toch warempel een echte muis mijn verblijf in zag wandelen. Een muis! Een hele echte muis. Nou ja, wandelen. Bij de mate van vrijwilligheid sta ik niet te lang stil. Hij was er en hij was van mij. Dat meisje kon het niet aanzien overigens, maar ik vond dat ze zich aanstelde. De huilebalk. Wat een feestmaal was dat, zeg.

Ik denk dat ze me toen zat was. Voor ik het wist zat ik in de auto, in een best klein hokje dat verdacht veel naar katten rook. Ik moest weg.

Toen ik eindelijk van de kattengeur af was, rook het vertrouwd. Even. Ik rook dat paard, dat maffe fietsenstallingpaard. Vraag me niet waarom ik per se weer op dat paard moest. Maar ze nam me gewoon mee. In de waxcoat, dat paard op. Ik liet haar maar, ze had me gevoed tenslotte. Misschien hechten mensen wel te veel waarde aan symboliek, weet ik veel. Dat ik huiswaarts keerde had ik wel door. Dan maar per paard. Kon mij het schelen; naar huis!

Op de plek waar ze me vond, liet ze me gaan. Waarom ze huilde zal ik nooit begrijpen. Er waren geen muizen in de buurt, ik was niet eens op jacht. Maar vliegen dat ik deed.

Reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *